370 | Pindakaas

“Geniet er maar van, ze zijn groot voor je het weet”. Van alle adviezen die je als ouder krijgt, is dit wel de ergste. Op de eerste plaats valt het wel mee met dat voor je het weet: het groot worden duurt nog zo’n jaar of vijftien. Op de tweede plaats heb ik de afgelopen vier jaar geleerd dat genieten heerlijk is en dat er tig genietmomenten per dag zijn. Maar dat er ook andere momenten zijn. Momenten dat je er even geen zin in hebt, dat je ze achter het behang kunt plakken, dat je geen puf hebt om een op hande zijnde peutercrisis met een grapje weg te lachen, dat je tegen je verstand in mee gaat gillen met twee ruziënde kinderen.

Op zo’n momenten zou je willen dat ze wat groter waren, dat je geen billen meer af hoeft te vegen, dat Jip begrijpt dat het vrij abnormaal is om zijn zus de hele dag op haar kop te timmeren en dat Isa’s avondmaaltijd uit meer dan 3 rijstkorrels bestaat.

Totdat je ze ’s avonds in hun bedjes ziet liggen, de een omringd door twintig knuffels en de ander met haar nieuwe roze prinsessen-gymschoen in haar hand. ‘Geniet er maar van, ze zijn groot voordat je het weet’, is dan ineen heel erg waar. Zeker als Isa de volgende ochtend na een ‘meningsverschilletje’ boos aankondigt dat ze wel een ander huis gaat zoeken.

En dus geniet ik even later van Jip die flipt omdat het lege koekpapiertje dat hij blijkbaar zo zorgvuldig op de kast had geplakt, door mama is weggegooid. En in plaats van terug te schreeuwen, hem te negeren of af te leiden, graai ik met mijn hand in de vuilnisbak, en vind ik onder een onaangeroerde boterham pindakaas het papiertje. En terwijl ik het samen met Jip weer op de kast plak, geniet ik. Intens.